Snuffeus

Snuffeus
Snuffeus werd ik ervan, de koffer, de tas met mijn spullen, het heen en weer geloop van mijn baasjes. Snuffeus, zenuwachtig en heel ongemakkelijk. Ze zouden toch niet weggaan zonder mij? En als ze dan ergens naar toe zouden gaan met mij, waar heen dan? Om te zorgen dat ze mij niet zouden vergeten, drentelde ik van de voordeur naar de achterdeur en weer terug. Overal zat ik in de weg, overal duwde ik mijn neus in. “Hannes, als je nu niet even gaat liggen, dan leg ik je vast aan de trekhaak van de auto”, riep mijn baasje. Het mocht niet baten. Ik had geen rust in mijn billen dus niet veel later werd mijn riem aan de auto geknoopt. “Zo, nu loop je niet in de weg, je loopt niet weg en we kunnen je niet vergeten.” Al mopperend propte mijn baasje alle spullen op de achterbank. Ik zag mijn voerbak voorbij komen, mijn zak met eten, een krat met eten voor de baasjes.
Niet veel later gingen we op pad. Ik in de achterbak, de spullen op de achterbank en mijn twee baasjes voorin. Het zonnetje scheen en eindelijk durfde ik mij een beetje te ontspannen. Ik ging in ieder geval mee, maar waar naar toe was nog steeds een raadsel. “We gaan niet zo heel ver vandaag, Hannes. Eerst maar eens kijken hoe jij het doet in de auto met een langere rit. Doe maar een tukkie en dan ben je er zo.”
Na een poosje rijden kwamen we aan bij een heel groot huis. De zenuwen sloegen gelijk weer toe. Al snuffend en snuivend kwam ik de auto uit. Rek en strek en volop drentelend. “Misschien goed als je eerst met Hannes gaat lopen” hoorde ik grote baas zeggen. “Dan is de spanning eraf”. Zo gezegd, zo gedaan, we liepen over het erf bij het grote huis richting een pad. “Kijk Hannes, een meertje, misschien kan je daar wel even wat drinken en ontspannen. Maar voordat ik goed en wel met mijn ogen kon knipperen, stormde er een enorme Duitse herder op mij af. Blikkerende tanden, opgetrokken bovenlip. Binnen twee seconden lagen de herder en ik te rollebollen op het pad. En toen ging de sirene af. Baasje begon te gillen. Ik moet zeggen, zowel de herder als ik waren zodanig onder de indruk dat de herder afdroop en ik trillend naast het baasje ging zitten. We maakten rechtsomkeert. Baasje zei; “Hannes, we gaan even zitten aan die picknicktafel op dat grasveld. Dan kan ik even bij komen van de schrik”.
Ja, baasje kon wel bijkomen van de schrik, maar ik zag dan wel geen herder op het grasveld maar wel Pedro, althans, dat stond geschreven op het zwarte ding dat zoemend over het gras heen en weer reed. Snuffeus werd ik ervan. Dan naar links, dan naar rechts, dan weer botsend tegen een boom zodat het weer de andere kant op reed. Om gek van te worden. Dus toen Pedro in de buurt van de picknicktafel kwam, vloog ik omhoog, trok de riem strak en zette al mijn haren overeind. Straks maait die Pedro mijn staart er nog af, blafte ik naar mijn baasje en ik deed een uitval om het ding een koppie kleiner te maken.
Zuchtend stond de baasje weer op. “Het is een maairobot, Hannes, die doet je niets. Niet zo snuffeus, niets aan de hand.” Tja, dan kan ze nu wel zeggen, maar ik dacht er wel iets anders over. Samen staken we het grasveld over. Ik in opperste staat van paraatheid, mijn baasje vlak achter mij.
En toen zag ik ze staan, de ezels, ze balkte alsof hun leven er van af hing. En ik, ik blafte keihard terug. Baasje schoot in de stress en trok de riem strak. Ik werd nog iets onstuimiger dan dat ik normaal gesproken al ben. Toen schudde baasje haar hoofd. “Hannes toch, eerst de herder, dan Pedro de maaier en nu de ezels. We zijn pas vier uur onder weg van onze tien dagen roadtrip. Dit wordt nog een heel avontuur…
wordt vervolgd..
