Hans Worst

Vakantie is heerlijk. De hele dag rondom de baasjes wandelen en vooral niets moeten. Voor mij mag het wel elke dag vakantie zijn. Ik kan mijn enthousiasme ook maar moeilijk bedwingen en dat leidde deze week tot verschillende confrontaties met baasjes en mij. En eerlijk gezegd, ik snap niet dat ze zo moeilijk doen. Relax… geen stress… het is vakantie toch?
Zo liepen we deze week meerdere tochten door het mooie Alpengebied. Bergie op en bergie af. Omdat de temperaturen aan de hoge kant zijn, 27 graden en meer, ondanks uitzicht op sneeuw, ligt mijn fixatie op de bergmeertjes, de watervallen en stroompjes in beekjes die van de berg af rollen. Niet zo gek natuurlijk. Warmte betekent afkoelen dus zo gauw ik wat in zicht krijg, hoor of ruik ga ik niets of niemand ontziend op zoek naar water. Omdat ik meerdere keren de berg af schoot zonder te kijken of het ook veilig was, kreeg ik de lange sleeplijn aan mijn halsband. Het uiteinde zat vast aan baasjes hand. Zo kon ze op tijd ingrijpen als ik weer eens drang kreeg om van een steile klif af te storten. Het mooie van zo’n lange sleeplijn is dat ik om de haverklap ergens achter blijf haken, rosten, boomtakken en vooral de enkels van grote baas. Want ja, zoals altijd loop ik graag voorop maar af en toe moet ik even checken of iedereen mij volgt. Dan loop ik weer heen en terug en weer heen en weer terug. Totdat ik zeker weet dat alle enkels vast zitten aan de sleeplijn en dan heb ik vaak de neiging om een sprintje te trekken zodat ik weer haantje de voorste ben. Menig scheldwoord heb ik door de bergpas horen schallen als de riem weer eens strak trok rond de benen van de baas. “Hans Worst” is dan de mildste vorm…
Aan het einde van de wandelingen eindigen we meestal bij zo’n bergmeertje. Grote baas gaat dan languit op zijn rug in het gras liggen om even uit te puffen terwijl ik met mijn baasje de koelte van het water op zoek. Even zwemmen, even poedelen, even mijn buikje nat en proberen om dat hele beekje leeg te drinken. Heerlijk, die verkoeling. En als ik dan weer koel ben, krijg ik ook mijn energie weer terug. Ik huppel door het water, maak gekke bokkesprongen totdat ik grote baas hoor roepen; “Niet te ver Hannes, blijf je een beetje in de buurt? Straks word je mee gespoeld met de stroming de waterval af. Kom maar hier”. Zoals ik ben, luister ik meteen en ik neem een sprintje richting de baas die nog steeds op zijn rug ligt te kijken naar mij. Voordat hij weet wat hem overkomt, ben ik met vier poten en 35 kilo boven op hem gesprongen. Ik draai mij vier keer om mijn as terwijl ik op zijn buik sta te dansen met mijn natte lijf. Baasje hengelt mij weg van de grote baas die inmiddels is opgekruld tot in de foetushouding. Zijn armen beschermend om zijn lijf geslagen. Meewarig schudt baasje haar hoofd. “Hans Worst” hoor ik weer uit de mond van grote baas komen en nog veel meer geluid wat ik hier niet mag herhalen.
Dan komen we terug bij ons pension. Baasjes kletsen nog wat na met de andere bezoekers. Ik sta keurig naast het baasje aan de korte lijn. Er zijn namelijk ook andere honden en hoewel ik uitermate vriendelijk ben, vinden de meeste honden mij te druk. Baasjes kletsen wat af en hebben niet in de gaten dat het water van het bergmeertje inmiddels flink in mijn blaas is gezakt. Ik kijk om mij heen. Ik kan geen kant op. Heb maar een metertje speel ruimte. De nood is hoog en ik zoek iets om tegen aan te plassen. Zal ik? Mag ik?
Als even later de sokken van mijn baasje geel worden en de warme plas in haar wandelschoenen loopt hoor ik opnieuw; “Hans Worst” en heel veel andere woorden die ik hier niet mag herhalen.
Zouden ze soms niet altijd blij zijn met mij? Ik begrijp het niet helemaal.
