Winterpret

Tien voor vijf, zaterdagmiddag. Net voor sluitingstijd schieten we samen de dierenwinkel in, baasje en ik. “Kom op Hannes, niet treuzelen bij de snackies, we moeten nog even een winterjas voor je scoren.” Nou is baasje nooit zo van de jassen geweest maar de hagel deze week gecombineerd met de koude wind en mijn toch niet zo’n heel dik velletje, heeft haar doen besluiten dat ik een fatsoenlijke jas moet hebben. “Er is nog veel meer vies weer op komst en je bent net ziek geweest Hannes, dus kom op. Even passen en meten.” Niet veel later staan we samen bij de kassa, baasje met een jas in haar handen en ik met een pluche giraffe in mijn bek. Heb ik vakkundig gejat uit een stelling.

De voorspellingen zijn niet mals, sneeuw op komst, trein en vliegverkeer alvast stil gelegd maar hier aan de kust is er op maandagochtend vroeg nog niets aan de hand. We parkeren bij het werk en lopen nog even het strand op. Ik in mijn jas en baasje goed ingepakt. “Ja Hannes, je weet maar nooit. Bij temperaturen rondom de nul is die jas toch wel verstandig.” Ik loop een beetje stijfjes over het strand en denk ‘belachelijk, een jas, voor een boxer, hoe verzint ze het’. Als we een half uur later in de hal van het werk staan, worden we hardop uitgelachen. “Kijk nou, een sneeuwpop met de verschrikkelijke Yeti” Want ja, toen we naar het strand liepen was er niets aan de hand, maar in dat half uurtje wandelen werden we overvallen door een sneeuwbui, niet normaal. Mijn camouflage groene jas was helemaal wit geworden en van mijn zwarte sproeten op mijn snoet was niets meer te zien. Maar ik, ondanks dat ik druipend nat ben, ben nog heerlijk warm. Mmm, die jas was zo gek nog niet.

Het blijft sneeuwen, dikke vlokken. De scholen geven spontaan vrij aan de kinderen. Het duin naast mijn werk is een wintersportgebied geworden. Tussen de middag, met jas aan, weet ik van gekkigheid niet meer waar ik moet kijken. Sneeuwballen vliegen om mijn oren. Volwassenen op langlauf skies sjezen mij voorbij. Een snowboarder doet verwoede pogingen om heelhuids naar beneden te komen. En dan die kinderen met al die sleetjes. Ze glijden, ze gillen en maken herrie, ze zwaaien met hun armen en benen en duiken spontaan de sneeuw in. En ik, ik kus de kinderen als ze van de slee vallen. Ik ren met ze mee, als ze naar beneden glijden. En ik hap in elke sneeuwbal die ze mij toegooien. Mijn baasje roept de hele wandeling “Sorry, hij wil alleen maar spelen, hij houdt van alle kinderen” als ik weer onstuimig op een kind afren die net onderuit is gegaan. En mijn jas, die hangt over de armen van mijn baasje. Niet nodig hoor, ik word wel warm van al dat rennen.

De sneeuw verdwijnt net zo snel als dat ‘ie is gekomen. Als je aan zee woont, blijft het gewoon altijd net iets warmer dan in de rest van Nederland. Tot het weekend. Zaterdagochtend. Ik word weer in mijn jas gehesen. Ik had nog geprotesteerd maar het mocht niet baten. Om half negen ‘s ochtends is het min 4. Te koud, vindt het baasje, zeker omdat we naar het strand gaan waar een straf windje staat. Ik bibber als ik uit de auto kom, de wind is inderdaad schraal en snijdend. Ik kom boven op de strandafgang en daar staat mijn vriend Binkie. Stoer als hij altijd is, zonder jas, zonder gekkigheid. Hij heeft al een ruim een uur gelopen. Zijn baasje was nog vroeger dan dat wij zijn. “We lopen nog wel even een stukje mee”, roept zijn baas. Ik ren op ze af. “Binkie, kerel” blaf ik, “de beste wensen nog”. Want we hadden elkaar al even niet gezien. We kijken naar elkaar, twee matties, twee vrienden, twee honden met dezelfde energie. “Zullen we? ”vraagt Binkie. “Gaan we?” vraag ik. Ik schud zo hard dat mijn jas afvliegt. “Geef maar Hannes, die heb je toch niet nodig”, zegt het baasje. En dan duiken we samen, Binkie en ik, de zee in voor een nieuwjaarsduik. We spartelen en spetteren, we rennen en duiken.”

Onze baasjes staan met grote ogen te kijken als we weer naar ze toe rennen. De waterdruppels hangen bevroren aan mijn lijfje. Mijn oorpuntjes zijn wit uitgeslagen. Baasje slaat de jas over mijn rug. “Guppies! Oelepetoeten! Het vriest! Dan ga je toch niet zwemmen?” Terwijl ik sta te ontdooien denk ik bij mijzelf… nou, een kopje snert met worst zou er nu wel in gaan. En die jas, die wil ik nu wel aan.

Vergelijkbare berichten

Eén reactie

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *